Wat is thermoregulatie?

© Mirjam Thijs  | www.mirjamthijs.nl

Net als mensen zijn paarden warmbloedig. Ze hebben een constante lichaamstemperatuur die voor elk paard tussen de 37,4 en 38 °C ligt. Om de lichaamstemperatuur op peil te houden, produceert het paardenlichaam warmte of geeft het warmte af aan de (koudere) omgeving. Dit wordt thermoregulatie genoemd.

 

Thermoregulatie wordt geregeld door zweten, ademhaling, bloedcirculatie en vacht. Gedurende de dag kan de lichaamstemperatuur van een paard wat variëren, afhankelijk van beweging, voeding en rust. Echter, ernstig afwijkende lichaamstemperaturen zijn levensgevaarlijk: een lichaamstemperatuur lager dan 26°C of hoger dan 43°C bij paarden is dodelijk.

Het is belangrijk om een paard in zijn comfortzone te houden als het gaat om zijn lichaamstemperatuur. De comfortzone is het gebied tussen twee temperatuursgrenzen, waarin het paard nauwelijks energie verbruikt om zijn lichaamstemperatuur constant te houden. Binnen dit gebied voelt het dier zich behaaglijk. Afhankelijk van het ras, gewicht en leeftijd, ligt deze comfortzone tussen -5 °C en +25 °C. Vanzelfsprekend is een geschoren paard is gevoeliger voor koude omgevingstemperaturen.

 

Hoe werkt thermoregulatie?

Bij koud weer vernauwen de bloedvaatjes onder de huid zich, waardoor er minder bloed doorheen kan stromen. Het paard kan zich op deze manier warm houden, omdat het bloed warm is en er dus minder warmte aan de omgeving afgegeven wordt. Daarnaast gaan de haren van de vacht een stukje overeind staan. De lucht die zich tussen de opstaande haren bevindt, zorgt voor een extra isolatielaag.

Kleine spiertjes zorgen ervoor dat de vachtharen iets omhoog gaan staan. De spierkracht die daarvoor nodig is, levert ook weer warmte aan het lichaam. Een bewegend paard produceert warmte, maar ook als het paard rilt produceren de spieren warmte.

Bij warm weer of inspanning wordt het koelmechanisme in werking gesteld. Als de bloedvaten zich verwijden, stroomt er meer bloed doorheen. Op deze manier wordt warmte aan de omgeving afgegeven en koelt het paard af. Een andere manier om warmte af te voeren is zweten. De zweetklieren scheiden vocht uit, dat vervolgens verdampt op de huid. Door de verdamping wordt warmte onttrokken aan de huid, waardoor het paard afkoelt. Zweten tijdens en na arbeid is dus een belangrijke afkoelmethode. Geef je paard na het trainen voldoende te (niet te koud) water om het verlies van vocht weer aan te vullen.
In de weide is het lastiger om de temperatuur te beïnvloeden, maar beschutting zorgt wel voor schaduw bij warm weer en minder wind bij koud weer. Ook schuilstallen kunnen deels geïsoleerd worden.  

Een paard is beter bestand tegen constante lage temperaturen dan tegen grote temperatuurschommelingen. De optimale omgevingstemperatuur voor paarden die hoge prestaties moeten leveren varieert van 10 tot 15°C . Voor veulens is een temperatuur tussen de 15 en 20°C ideaal. Voor paarden die niet (hoog) hoeven te presteren of paarden in opfok voldoet een iets lagere temperatuur. Paarden die als veulen al blootgesteld zijn aan koudere temperaturen krijgen over het algemeen een langere en dichtere wintervacht.

De staltemperatuur kan worden geregeld door:

- Ventilatie (de invoer van verse lucht en de afvoer van stallucht)

- Isolatie (het voorkomen van warmteverlies in de winter en warmteopname in de zomer)

- Verwarming (in de meeste gevallen overbodig)

In de weide is het lastiger om de temperatuur te beïnvloeden, maar beschutting zorgt wel voor schaduw bij warm weer en minder wind bij koud weer. Ook schuilstallen kunnen deels geïsoleerd worden.

Bronnen:

Hieronder zijn de bronnen te bekijken, indien auteursrechtelijk mogelijk, die voor dit artikel zijn gebruikt.