Oorzaken en oplossingen bij stalondeugden

Kribbenbijten

 © Arnd Bronkhorst | www.arnd.nl

Paarden staan tegenwoordig vaak individueel gestald, waardoor ze weinig mogelijkheid hebben tot sociale contacten, bewegen en grazen. Sommige paarden ontwikkelen ongewenst gedrag, de zogenoemde stalondeugden. De meest voorkomende stalondeugden zijn schrapen en onrust bij het voeren. Doordat paarden hun natuurlijk gedrag opnvoldoende kunnen uitoefenen ontstaan soms stereotypieën. De meest voorkomende stereotypieën zijn: kribbebijten, luchtzuigen, zelfbeschadiging en weven.

 

Wat zijn stalondeugden?

Onder stalondeugden vallen alle onnatuurlijke gedragingen die een paard op stal of in de wei uitvoert. Stalondeugden zijn soms stereotypien, als het gedrag zich telkens herhaalt, maar niet altijd. Het paard zelf vindt het meestal de stalondeugd wel prettig, omdat hij op deze manier met zijn omgeving kan omgaan; factoren als verveling en stress verminderen. Stalondeugden kunnen zich uiten in de volgende gedragingen:

  1. Eetgedrag (bijvoorbeeld kribbebijten, luchtzuigen, tongspelen en houtkauwen)
  2. Bewegingsgedrag (bijvoorbeeld schrapen, weven of trappen tegen de stalmuren)
  3. Sociaal gedrag (bijvoorbeeld zelfbeschadiging of seksuele agressie bij hengsten)
  4. Comfortgedrag (bijvoorbeeld staartschuren of hoofdschudden)

Regelmatig beweren mensen dat paarden stalondeugden van andere paarden kopiëren. Dit is nooit wetenschappelijk aangetoond. De meeste onderzoekers denken dat dit onwaarschijnlijk is. Wanneer meerdere paarden op stal stereotypiën vertonen, ligt de oorzaak vaak bij de huisvesting of het stalmanagement.

 

Stereotypie is een herhaalde beweging

Een stereotypie is een herhaalde, vormvaste beweging die per paard verschilt en ogenschijnlijk geen functie heeft. Dit gedrag komt niet voor bij paarden in het wild en wordt gezien als een indicatie van verminderd welzijn. Wilde paarden leven in groepen. De dagbesteding van wilde paarden bestaat uit grazen, bewegen en het onderhouden van hun sociale contacten. Tegenwoordig kunnen onze paarden deze gedragingen vaak in mindere mate uitoefenen en kunnen ze weinig tot geen invloed uitoefenen op hun omgeving. Ze zoeken een manier om hiermee om te gaan en dit uit zich soms in stereotiep gedrag. Bij het uitoefenen van stereotiep gedrag, komen er in de hersenen een soort lichaamseigen pijnstillers (endorfinen) vrij. Deze endorfinen hebben een rustgevend, zelfhypnotiserend effect. Dit is vergelijkbaar met hardlopers die zich na een bepaalde tijd lopen ook lekkerder gaan voelen onder invloed van dezelfde stofjes. Endorfinen zorgen ervoor dat een paard beter zich beter gaat voelen.

 

Oorzaken van stereotiep gedrag

Stereotiep gedrag heeft altijd een oorzaak. Maar doordat het meestal heel lang duurt voordat een paard stereotiep gedrag gaat uitvoeren, is het soms lastig om de oorzaak te achterhalen. Koop je een paard dat stereotiep gedrag vertoont, dan is het vaak onmogelijk om de oorzaak te achterhalen. Mogelijke oorzaken van stalondeugden zijn:

 

  • Stress. Een paard krijgt een overmaat aan indrukken, waardoor hij sterk gestimuleerd wordt en een uitweg zoekt in afwijkend gedrag.
  • Een geïsoleerde stal zonder andere paarden in de buurt.
  • Een rantsoen met weinig ruwvoer (en veel krachtvoer). Hierdoor is het paard snel
  • klaar met eten, waardoor hij zich kan gaan vervelen. De darmstelsel van het paard is ook niet ingesteld op krachtvoer.
  • Aangeleerd afwijkend gedrag belonen. Bijvoorbeeld: een paard schraapt rond etenstijd met zijn hoef en krijgt snel zijn voer, in de hoop dat hij stopt met schrapen. Dit paard zal de volgende keer weer dit gedrag vertonen!
  • Teveel voer en te weinig beweging.

Stereotiep gedrag kan worden onderverdeeld in drie stadia met verschillende kenmerken. In het eerste stadium heeft de omgeving nog invloed, terwijl bij het derde stadium het gedrag zelfbelonend is en dus nog maar moeilijk te beïnvloeden is.

 

Stadium 1

Het paard herhaalt het ongewenste gedrag meerdere keren, omdat de oorzaak steeds terugkomt of aanhoudt. Bijvoorbeeld: een merrie wordt gescheiden van haar veulen en gaat schrapen om haar veulen terug te krijgen. Komt het veulen op dat moment – al dan niet toevallig – terug, dan ziet de merrie haar gedrag beloond. Ze zal het een volgende keer weer proberen. In deze fase reageert een paard nog wel op de omgeving. Als er bijvoorbeeld iemand langs de stal loopt, zal de merrie stoppen met schrapen om te kijken wat er gebeurt.

 

Stadium 2

In een vroeg stadium worden stereotypieën meerdere keren herhaald in een reactie op een vergelijkbare prikkel. Het ongewenste gedrag krijgt een steeds vastere vorm; het wordt steeds makkelijker gestimuleerd door dezelfde prikkel. De omgeving heeft nog wel invloed op het gedrag. Zodra iemand het veulen weghaalt bij de merrie, begint zij te schrapen. Eerst deed ze dit alleen als het veulen weg was. Als iemand de merrie afleidt kan het gedrag worden doorbroken. Afleiding geven terwijl het veulen weg is, kan goed helpen.

 

Stadium 3

In een later stadium wordt het ongewenste gedrag niet meer opgeroepen door een bepaalde prikkel, maar begint het bij opwinding of soms ook spontaan. De omgeving heeft geen invloed meer op de stereotypie; het gedrag hoeft ook geen specifieke oorzaak meer te hebben, maar staat op zich. De merrie uit het voorbeeld schraapt nu al bij opwinding of zomaar, zonder aanwijsbare prikkel. Het gedrag is niet meer te stoppen. Het dier wordt beloond door de endorfinen.

Komt een paard zonder aanwijsbare oorzaak in dit stadium terecht, dan kan de oorzaak een ziekte zijn.

Hoewel de handelingen bij kribbebijten en luchtzuigen verschillend zijn, is het gedrag hetzelfde. Het paard zet de spieren van zijn nek op en zuigt lucht in de slokdarm. Opvallend zijn de houding van het hoofd en het geluid. Bij kribbebijten zet een paard zich regelmatig met zijn tanden vast op een stevig voorwerp (bijvoorbeeld de voerbak of de rand van de staldeur). Hierdoor slijten zijn tanden: op de voorrand van de snijtanden zie je een afgeronde hoek. Een kribbenbijter vertoont het typische gedrag bij opwinding, bijvoorbeeld tijdens het voeren. Sommige paarden hebben geen aanleiding meer nodig en voeren het gedrag uit wanneer ze daar zin in hebben. In een vergevorderd stadium van kribbebijten wordt het paard rustiger, omdat er endorfinen vrijkomen.

 Kribbenbijten

Kribbebijten. Bron: Horses.nl

 

Luchtzuigen lijkt een verder ontwikkelde vorm van kribbebijten. Luchtzuigen gebeurt ook zonder dat het paard iets vastpakt. De lucht die het paard binnenkrijgt, verdwijnt weer via zijn neus of mond. Luchtzuigen veroorzaakt - in tegenstelling wat soms wordt gedacht - geen koliek of vermagering. Hoewel het nooit wetenschappelijk is aangetoond, wordt kribbebijten gelinkt aan heftige emotionele gebeurtenissen. Voorbeelden hiervan zijn:

- het spenen van een veulen;

- plotselinge individuele huisvesting bij het inrijden;

- afzondering van soortgenoten;

 

Een andere oorzaak voor zowel kribbebijten als luchtzuigen kan een overproductie van maagzuur zijn. De maag maakt continu maagzuur aan, ook als het paard niet eet. Het maagzuur kan dan de maagwand aantasten wat maagpijn tot gevolg heeft. Speeksel wordt aangemaakt bij kauwbewegingen (bij het eten van voedsel) en neutraliseert het maagzuur. Bij verminderde kauwbewegingen, is er een verminderde productie aan speeksel en gaat een paard op zoek naar een remedie. Onderzoek heeft uitgewezen dat paarden tijdens het kribben/luchtzuigen meer speeksel aanmaken en daardoor een soort oplossing vinden voor hun probleem. Een dierenarts kan vaststellen of een kribbebijter/luchtzuiger een maagprobleem heeft.

Een wevend paard plaatst zijn voorbenen wat uit elkaar en beweegt zijn hoofd en hals ritmisch van links naar rechts. Zijn gewicht verplaatst hij hierbij steeds van het ene naar het andere voorbeen. Vaak beweegt het paard ook de achterbenen mee op dezelfde manier als wanneer hij stapt. Weven wordt geassocieerd met een tekort aan beweging. Dit ongewenste gedrag komt extra naar voren bij opwinding in de omgeving, bijvoorbeeld tijdens het voeren of wanneer andere paarden worden opgezadeld.

Een paard met zelfbeschadigend gedrag vertoont vaak één of meerdere van de volgende gedragingen:

  • het zichzelf bijten
  • slaan met de achterbenen
  • bokken
  • schuren
  • rollen

Zelfbeschadiging komt het meest voor bij hengsten en ontstaat vaak door gebeurtenissen die spanning of opwinding veroorzaken. De dieper liggende oorzaken zijn: beperkte bewegingsvrijheid, een tekort aan sociale contacten of gefrustreerd foerageer- en seksueel gedrag. Ook huidirritaties spelen soms een rol, maar in dat geval kun je niet meer spreken van een stalondeugd.

Om stalondeugden (enigszins) tegen te gaan, worden soms maatregelen getroffen in de vorm van halsbanden tegen het luchtzuigen of het plaatsen van een anti-weefrek. Deze maatregelen werken meestal niet. Bovendien zijn deze zogenoemde oplossingen uit welzijnsoogpunt onwenselijk. De stereotiepe gedragingen werken voor het paard rustgevend. Het onmogelijk maken van deze gedragingen leidt tot meer frustratie. De oplossing ligt in het voorkomen van stalondeugden door een zo natuurlijk mogelijke huisvesting en het zo veel mogelijk voorkomen van stressvolle situaties. Check altijd:

  • de stalling. Voorkom verveling op stal. Stalondeugden worden zelden gezien bij paarden die gehouden worden in een uitdagende omgeving of groepshuisvesting.
  • de voeding. Zorg dat een paard gedurende meerdere keren per dag, liefst onbeperkt ruwvoer kan eten. Plaats eventueel een slowfeeder. Het rantsoen moet voor het grootste deel bestaan uit ruwvoer.
  • Gezelschap. Een paard heeft sociale contacten nodig, zowel in de weide als op stal.

    

Bronnen:

Hieronder zijn de bronnen te bekijken, indien auteursrechtelijk mogelijk, die voor dit artikel zijn gebruikt.