Het verteringsstelsel: van kauwen tot mesten

hooinet

Een paard is geen maaltijd eter, maar van oorsprong een dier dat zich de hele dag tegoed doet aan grassen, twijgen en takken. Als hij maar kan kauwen….Want kauwen prikkelt de productie van speeksel en verkleint het voer; het is de eerste stap in het verteringsproces.

Paarden zijn planteneters en beschikken – in tegenstelling tot sommige herkauwers – maar over één maag. Deze is relatief klein. De vertering begint al bij het vermalen van het voer in de mond. Hierbij komt speeksel vrij. Ruwvoer stimuleert het kauwen en is daarom onmisbaar om een paard gezond te houden. Het verteringsproces kent twee fasen.

1. De enzymatische vertering
Van de mond tot en met de dunne darm worden de voedingsstoffen in kleine stukjes gebroken.

2. De fermentatieve microbiële vertering
In de blinde darm, dikke darm en endeldarm gebruiken bacteriën de voedingsstoffen en produceren andere voedingsstoffen voor het paard.

Vetering door enzymen
Na het slikken trekt de slokdarm zich samen rond een voedselprop, zodat het voedsel zich richting de maag verplaatst. Tussen de slokdarm en de maag zit een zeer sterke sluitspier. Hierdoor kan een paard ook met een gevulde maag vluchten zonder dat de maaginhoud terugvloeit. Het nadeel van dit mechanisme is dat het paard niet kan braken en gevoelig is een maagoverlading of –scheuring.

 

De maag van het paard is met een inhoud van vijf tot vijftien liter relatief klein. Door deze beperkte capaciteit moet een paard gedurende de dag kleine porties eten. In het bovenste (slokdarm)gedeelte van de maag vindt het fermentatieproces plaats. Hierbij worden vluchtige vetzuren zoals melkzuur gevormd. In het onderste (bodem)gedeelte begint de eiwitvertering, door inwerking van pepsine en zoutzuur. De inhoud van dit maaggedeelte is erg zuur.

De bacteriën die zijn vrijgekomen in het bovenste gedeelte van de maag, worden gedood door het zoutzuur in het onderste deel. De voedselbrij verplaatst zich van de maag naar de dunne darm als het voldoende vocht en maagsap (met verschillende enzymen voor voedselafbraak) bevat. Om dit proces vlekkeloos te laten verlopen moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan:

  1. Het voedsel moet vergezeld van voldoende speeksel in de maag terecht komen. Het speeksel is noodzakelijk om als buffer te dienen tegen het zuur in het maag-darmkanaal. Staat je paard te lang zonder ruwvoer, dan is de kans op het ontstaan van maagzweren groter.
  2. De darmwand moet voldoende geprikkeld worden. Dit stimuleert de darmbewegingen. De darmbewegingen zorgen voor een goede menging van de darmsappen en het voedsel. Dit bevordert de verteerbaarheid en zorgt voor een probleemloze passage van het voer door het maag-darmkanaal.
  1. Ruwvoer passeert de maag sneller dan krachtvoer. Grote porties krachtvoer kunnen problemen geven: door minder kauwen en minder speeksel is de voedselbrij in de maag droger en wordt minder gemengd met maagsappen. Maagzuur wordt wel geproduceerd en heeft nu meer en langer contact met de maagwand. Groter risico op maagzweren en verteringsstoornissen, doordat er minder voorvertering in de maag plaatsvindt.

In de dunne darm wordt de voeding verder afgebroken en worden voedingsstoffen (koolhydraten, vetten, eiwitten, vitaminen en mineralen) opgenomen door de darmwand. Koolhydraten worden afgebroken tot suikers en worden beschikbaar gesteld als energie. Vetten worden met behulp van gal verkleind tot opneembare vetzuren. Eiwitten worden afgebroken tot aminozuren. Passage door de ongeveer 20 meter lange dunne darm neemt ongeveer 30-90 minuten in beslag. In de darmwand wordt darmsap (rijk aan enzymen) toegevoegd aan de voedselbrij. Ook vanuit de alvleesklier en de lever worden nog verteringssappen toegevoegd. Dit bevordert de splitsing en opname van de verschillende voedingsstoffen.

De vezels van het ruwvoer zijn niet afbreekbaar in de dunne darm, maar dienen als voedselbron voor de darmflora van voornamelijk de blinde en dikke darm. De enorme inhoud van de blinde en dikke darm van het paard stelt het paard in staat om veel energie uit vezelrijk ruwvoer op te nemen. In dit gedeelte van het darmstelsel leven miljarden bacteriën en andere micro-organismen. De passage door deze delen kan enkele dagen in beslag nemen.

Een gezonde darmflora en een gevulde blinde en dikke darm geven minder kans op verteringsstoornissen en leiden tot een betere weerstand van het paard.

In de dikke darm worden de eiwitten, die nog niet (volledig) waren afgebroken in de dunne darm, verder verteerd. In het laatste deel van de dikke darm vindt opname van water, zouten en andere voedingsstoffen plaats. Er blijven alleen onverteerde voedselresten over, die in de endeldarm worden opgeslagen als mest. Aan de mest wordt nog water onttrokken, waardoor mestballen gevormd worden. Via de anus worden de mestballen (bestaande uit onverteerbare voedselresten) en gassen (die zijn vrijgekomen bij de vertering) uitgescheiden.

Mest bestaat normaal gesproken voor 70% uit water. Door een te snelle passage of een rantsoen met te weinig structuur kan de mest te los worden. Dit kan zich uiten in diarree. Een paard dat onvoldoende mest produceert, kan een stoornis aan het maagdarmkanaal hebben. (veranderingen in de mest zijn een gevolg van problemen in de vertering, waarbij zowel naar het paard als het rantsoen en het voeren gekeken moet worden om de oorzaak te vinden.)

Paarden eten met hun lippen en tanden. Met de lippen voelen en selecteren ze wat ze wel en niet willen eten. In de mond wordt het voedsel gemalen door de kiezen. Dit gebeurt met een roterende beweging van de onderkaak. Deze kauwbewegingen verkleinen het voedsel en stimuleren de speekselproductie: beiden zijn noodzakelijk voor een goede vertering. Paarden kauwen ongeveer 30-40 minuten op een kilo ruwvoer (hooi) en maximaal een kwartier op een kilo krachtvoer. Per kilo ruwvoer produceert een paard ongeveer 3-5 liter speeksel, terwijl eenzelfde hoeveelheid krachtvoer slechts  één tot anderhalve liter speeksel oplevert.

Paarden die niet goed kauwen, zoals oudere paarden, maar ook paarden met voernijd, krijgen eerder verteringsklachten; maagzweren, koliek en abnormale mest. Hetzelfde geldt voor paarden die onvoldoende toegang tot ruwvoer hebben. Minder kauwen betekent dat het maagzuur in de maag minder goed gebufferd wordt door speeksel. Daarom geldt de stelregel om paarden niet langer dan zes uur zonder eten te laten staan.

Meestal verloopt het transport van het voedsel probleemloos, maar soms ontstaan onderweg problemen. De meest voorkomende problemen zijn:

  • Slokdarmverstopping
    Als een brok voedsel blijft steken in de slokdarm is er sprake van een slokdarmverstopping. Een paard raakt in paniek en gaat zweten; soms komen voedseldelen terug door de neus. Bel in dit geval snel de dierenarts, deze weet hoe de verstopping verholpen kan worden. Paarden die droge bietenpulp, gemaaid gazongras of grasbrok krijgen, lopen meer risico op een slokdarmverstopping. Ook paarden die heel gulzig eten of onvoldoende kauwen vormen een risicogroep.
  • Maagzweren
    Bij een minder goede menging met de maagsappen blijft de zuurtegraad te hoog, waardoor de maag meer maagzuur produceert. Op lokaal niveau kan dit maagzuur het slijmvlies beschadigen en een maagzweer veroorzaken. Naast een te krachtvoerrijke voeding zijn andere factoren zoals stress, lange tijd vasten of onvoldoende ruwvoer (en meer: pijnstillers, intensieve inspanning, ….) oorzaken van maagzweren.
  • Scheuring van de maagwand
    Zet krachtvoer en vooral bietenpulp altijd achter slot en grendel. Als een paard ontsnapt en de voerton vindt, zijn de gevolgen soms dramatisch. Krachtvoer (en met name bietenpulp) kan opzwellen in de maag. Omdat een paard niet kan braken, kan het voedsel niet uit de maag en kan de situatie kritiek worden. De dierenarts kan eventueel de maag legen met een maagsonde. Indien dit niet lukt, dan bestaat de kans op scheuring van de maagwand. Dit overleeft een paard nagenoeg nooit. Met ruwvoer komt dit vrijwel niet voor. Een paard kauwt langer op ruwvoer, waardoor het meer geleidelijk in de maag komt. Daarnaast zwelt het niet op in de maag en stroomt het eerder door naar de dunne darm. De maag raakt dus niet zomaar vol van ruwvoer.

Dit artikel is geschreven op basis van eerder verschenen artikelen van en samen met Anneke Hallebeek. Meer informatie over dr. Anneke Hallebeek, specialist veterinaire diervoeding op www.bonpard.com, www.voedingadviespaard.nl en www.voedingsconsulentpaard.nl